1. Dringende reden
Wanneer de werknemer vanwege een dringende reden wordt ontslagen, en de werknemer hieromtrent een verwijt kan worden gemaakt, is er sprake van verwijtbare werkloosheid en kan de WW-uitkering geweigerd worden. Het gaat er daarbij niet om of er daadwerkelijk een ontslag op staande voet heeft plaatsgevonden, maar of de reden van de beëindiging haar oorsprong vindt in een dringende reden;2. Ontbreken acute noodzaak bij opzegging door de werknemer
Er dient een acute noodzaak te zijn wanneer een werknemer overgaat tot opzegging van zijn arbeidsovereenkomst, zo vermeldt het UWV op haar website. Alleen wanneer deze acute noodzaak aanwezig wordt geacht, bestaat er bij opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer recht op een WW-uitkering. Deze term ‘acute noodzaak’ staat echter niet opgenomen in de Werkloosheidswet. Het is dan ook de vraag of dit vereiste wel past binnen het wettelijk kader van de Werkloosheidswet. De Werkloosheidswet spreekt in artikel 24 lid 2 onder b, van een beëindiging van een dienstbetrekking door of op verzoek van een werknemer, ‘zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd’. Van dergelijke bezwaren worden door het UWV de volgende voorbeelden genoemd:- het feit dat het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst, schade toebrengt aan de gezondheid van de werknemer en de arboarts, huisarts of specialist de werknemer heeft geadviseerd op te zeggen;
- in geval van een noodzakelijke verhuizing, bijvoorbeeld omdat de werknemer meeverhuist met zijn/haarpartner;
- in geval van een zodanige psychische toestand van de werknemer, waardoor de gedane opzegging niet aan de werknemer te verwijten valt.